
Epitaaf voor een gravenkrabber
Afgezien van Otto Schutte, die enkele keren in Het Bureau van J.J. Voskuil figureert, ken ik maar één genealoog die het tot romanfiguur heeft weten te schoppen: Paul Constant Bloys van Treslong Prins (1873-1940), adjunct-landsarchivaris van Nederlands-Indië. Onder de naam mr. W.H. van der Bie Vuegen voert Eddy du Perron hem heel even op in zijn autobiografische roman Het land van herkomst uit 1935, wanneer hij schrijft over de illusie van zijn vader dat hij uit een oude adellijke Franse familie stamde. Van der Bie Vuege maakte in een genealogisch werkje een einde aan die illusie met de droge mededeling dat de zonen van de Indische stamvader van de familie adoptiefkinderen waren. Ze konden dus onmogelijk adellijk bloed in zich dragen. Du Perrons vader heeft die gevolgtrekking overigens nooit hoeven te maken. Hij pleegde zelfmoord voordat de onthutsende waarheid uitkwam.
De romanfiguur Van der Bie Vuegen is wel een heel kleurloze afspiegeling van een leven dat werd getekend door strijd en schandalen, door hoge ambities en grote mislukkingen. Na zijn studie rechten maakte Bloys van Treslong Prins snel carrière als bankier. Met zijn adellijke vrouw, dochter van een prominente CHU-minister, was hij in deftig Den Haag een geziene figuur. ‘Bij Prins was het steeds open hof en diner’, herinnerde de bekende genealoog Jan Bijleveld zich later. Maar na het faillissement van zijn bank en een arrestatie op verdenking van fraude vertrok hij halsoverkop naar Indië, waar hij een simpele overheidsbetrekking kreeg – met dank aan zijn schoonvader, zo wist de socialistische pers te melden. In de kolonie werkte Prins zich mede dankzij zijn tomeloze ambitie en werkdrift weer omhoog, tot adjunct-landsarchivaris, gemeenteraadslid van Batavia en een positie als de meest vooraanstaande genealoog en heraldicus van Indië. In zijn hele optreden verpersoonlijkte hij de conservatieve koloniaal. De afschaffing van de slavernij op Java noemde hij eens de grootste ramp in de Indische geschiedenis.
Eddy du Perron kende Prins waarschijnlijk slechts oppervlakkig tijdens het schrijven van Het land van herkomst. Een echte kennismaking volgde pas in 1938, toen Du Perron uit geldnood een kantoorbaantje bij het Landsarchief in Batavia moest aannemen. Prins was al jaren tevoren ontslagen als ambtenaar – een ontslag dat hij onder andere dankte aan zijn gewoonte om lakzegels uit oude aktes te knippen. Het Landsarchief bezocht hij echter nog regelmatig om gegevens te verzamelen voor zijn genealogische en heraldische studies. Toen Du Perron bij het archief kwam werken, was Prins net getrouwd met een medewerkster van het archief na een jarenlange scandaleuze relatie (het huwelijk volgde twee weken op de dood van Prins’ vrouw in Nederland, die nooit met een scheiding had willen instemmen). Het echtpaar en Eddy du Perron werden al snel gezworen vijanden. Het land van herkomst was het werk van een homoseksueel, zo wisten Prins en zijn vrouw zeker, nadat ze de roman hadden aangeschaft en gelezen. De schrijver op zijn beurt noemde mevrouw Prins een ‘afschuwelijk wijf’ en haar man een ‘kwaadaardig naturel’, een verzuurde mislukkeling die alles belichaamde wat fout was aan Indië. Na zijn ontslag had Prins zich, aldus Du Perron, als ‘eminente gravenkrabber’ belachelijk gemaakt met de bewering dat hij het gebeente had opgegraven van Jan Pieterszoon Coen, de roemruchte stichter van Batavia.
Die laatste opmerking was een niet zo subtiele verwijzing naar het grootste schandaal waarin Prins tijdens zijn Indische jaren verwikkeld raakte. In 1934 had hij het bericht de wereld ingestuurd dat door hem na jarenlang speuren het skelet van Coen was aangetroffen onder een pakhuis, op de plek waar ooit de Hollandse kerk van Batavia had gestaan. De spitse kin en de lengte van het geraamte zouden aantonen dat het om de held van koloniaal Nederland ging. Over de identificatie ontstond al snel twijfel. Een regeringscommissie stelde uiteindelijk vast dat het bewuste skelet een samenraapsel was van de botten van vier personen. De ruimte die Prins voor Coens grafkelder hield, bevatte skeletdelen van minstens twaalf doden.
Paul Constant Bloys van Treslong Prins bleef tot zijn dood in 1940 strijden voor zijn gelijk. De koppigheid waarmee hij dat deed, zegt veel over zijn karakter en misschien ook wel over de hardnekkigheid waarmee de Indische bovenlaag zich probeerde vast te klampen aan de oude orde. Zo bezien vormen de botten van Coen een passend epitaaf voor een onvermoeibare gravenkrabber en voor de koloniale macht van Nederland.
Reacties
Nog geen reacties. Wees de eerste.
Inloggen om te reageren
Heeft u nog geen account?
Reacties worden beoordeeld voordat ze worden gepubliceerd.